Geluidloos rijd ik weg. Fiets is naar de fietsenmaker geweest. In Steenwijk. Schijnt een goede te zijn. Prima. Het gaat soepel. Met de benen zit het wel goed. Of heb ik wind mee? Nee, toch? Heb net nog gekeken. Geen wind mee wanneer ik naar het oosten fiets.
Een auto stopt voor mij. Ik snijd af. Een klein stukje. Maar ik steek wel keurig mijn hand uit. Dat lijkt wat vriendelijker. Ik wil mijn goede naam niet zomaar te grabbel gooien natuurlijk. Even een tandje bijschakelen. Het gaat lekker. Fijn. Het is mooi weer. Niet te warm, niet te koud. Winderig, dat wel.
Mijn kilometerteller geeft aan dat ik er alweer drieduizend meter op heb zitten. Tsjonge. Dit gaat hard. Merk nog weinig van de wind. Hups. Rotonde. Driekwart, richting station. Ineens voel ik het. Zijwind! Dus toch. Daar gaat mijn vooraf uitgestippelde route. Dit wordt improviseren. Heeft ook zo z’n charmes. Mag ik graag doen, improviseren.
Ik zou hier rechtsaf zijn gegaan met goede wind, maar nu ga ik rechtdoor. Over het spoor. Zometeen stoppen voor het driekleurig licht op een zwart/witte paal. Dan nog de weg over en dan kan ik voluit. Een paar kilometers rechtdoor liggen op me te wachten. Daar. De bomen overschaduwen het pad. Weinig wind hier. Komt door de bomen. Tactische keuze, Bart. Keurig.
Pesse. Mooi. Kan die auto niet wat harder? Anders ga ik er langs. Nee. Doe ik niet. Die bestuurder zal me dan wel weer een doorsnee kapsonesrenner vinden. Wil ik niet. Geduld is vereist. Ik reken mijn gemiddelde snelheid tot nu toe uit. Gaat prima. Boven de dertig is altijd goed.
Linksaf. Onder het viaduct door. Beuken tegen de wind in. Harken. Werken zal ik. Let op dat gemiddelde. Rekenen. Drinken. Eten. Duwen. Trekken. Trappen. Kom op. Het asfalt is ruw. Stroef. Grof. Langzaam asfalt. Het wordt zo beter. Of was dat ergens anders? Nee. Dat was hier. Daar, waar ik het bos weer in moet. Zie je? Beter asfalt.
Open gebied. Even opletten. Met de bochten mee. Eerst rechts, dan links. En dan staat er een boerderij aan mijn rechterhand. Daar zat vorige keer een vrouw in de tuin. Gebruind. Een boerenvrouw van in de vijftig. Zoiets. Nu zit er niemand.
Ha. Ruinen. Solexrijders. Mensen met een motortje in hun fiets. Heb ik niet. Ik ben als Cancellara. Mijn motor zit in mijn benen. Yusuf verkoopt kebab. Ik ga linksaf. Begin mijn benen te voelen. Of toch nog door. Ja, door. Nog een keer links. En nog een keer. En dan nog een keer. Mooi rondje. Yusuf verkoopt nog steeds kebab. En ik heb weer een stukje tegenwind.
Klein stukje rechtdoor. Laatst werd een oude vrouw boos op mij. Sloeg nergens op. Zij stopte ineens en in ontweek. Had ook anders kunnen aflopen. Linksaf nu. Kan het? Nee. Maar ik doe het wel. Die motor wacht maar even. Kindjes zeggen hoi. Ik doe hetzelfde. Zijwind, opnieuw. Of heb ik hem een beetje in de rug. Ja. Dat laatste. Mocht ook wel.
Klinkers. Ze liggen dicht op elkaar. Zoals het hoort. Hou ik van. Mag hier graag fietsen. Straks rechtsaf, dan met de weg mee. De vorige keer reed hier een joekel van een vrachtwagen. Moest ik toen op wachten. De chauffeur zwaaide en ik zwaaide terug. Mooi was dat. Maar ik heb nu wel wind tegen.
Linksaf. De grote weg over. Mijn moeder zou vroeger vragen of ik wel goed uit zou kijken. Ja. Doe ik, mam. Nog steeds. Welkom in Koekangerveld. Tot ziens in Koekangerveld. Ik ga als een speer. Wind wat in de rug nu. Viaductje op. Dansend. Dan naar Koekange, naar de sluis en naar huis. Het is mooi geweest. Ben moe. Waarom doe ik dit eigenlijk?
Viaduct af. Trappend. Snelheid houden. Daar heb je die verrekte wind weer. Ik vergelijk mezelf met Voigt. Erik Dekker. Waarom weet ik niet. Maar ik doe het. Linksaf in Koekange. Wolken schuiven voor de zon. Ziet er niet best uit. Alhoewel, ben wel toe aan een zomerbuitje. Zo’n zomerbuitje die je wel mee wil maken met je vriendin. Maar die heb ik niet. Is ook zo.
Weer die zijwind. Volgens mij neemt de wind mij in het ootje. Heb hem nog niet een keer lekker mee gehad. Hier klopt iets niet. Op naar de sluis. Mijn geliefde stuk langs het kanaal. Knallen. Zeker met wind mee. En ik heb wind mee. 35. 36. 37. 38. Nu vasthouden. Lukt niet. Zit een buiging in de route. 34 op de teller. Valt tegen.
Druppel op mijn neus. Of was het zweet? Nee. Nog een drup. En nog een. Lekker. Maar die verrekte wind. Hij neemt af. Net op mijn stukje. Via beschutte wegen terug, dan maar. Beuken. Harken. Spelen met de wind. Mijn enige vijand. Ik zit stuk. Nog even door. Nog heel even.
De Westerbergen. Mooie tijden gehad. Afsluiting van het voetbalseizoen enzo. Mooie tijden, mooie tijden. Maar wat heb ik het zwaar. Ik kijk om. Dat mag niet van Mart. Dan ga je langzamer. Doe het wel. Even omkijken. Niemand achter me. Voor me twee oudjes.
Rechts. Geen wind meer. Die was moe. Is gaan liggen. Mooie boel. Nog twee kilometer. Even overdenken. Ging het lekker? Ja. Moe? Ja. Voldaan? Ja. Spel met de wind? Verloren. Spel in mijn hoofd? Gewonnen. Hoofd zelf? Leeg. Lekker? Ja. Lekker.
Zo. Home sweet home. 41.6 kilometer. Keurig. Een uur en twintig minuten. Ook heel keurig. Ik speelde een spelletje met de wind. Hij, of zij, won het van mij. Op fysiek gebied. Maar ik heb tijdens het spelen nagedacht. Over veel. Alles, misschien wel. Dingen een plekje gegeven. Of een heel grote plek. Ik kan er weer even tegenaan. En dat is ook wat waard.
Morgen weer.
52.718395
6.439258